De ontmoeting

2017-09-15

lotgenoot

    • controle
    • chronisch ziek
Ze was 24, liep met twee baxters rond. Haar hoofd was veranderd in een woestijn van haar- sprietjes, wenkbrauwen ontbraken en dan zegt ze tegen mij :”Ik zou niet met u willen ruilen, mevrouw.”
Vrijdagmiddag. Mijn zoveelste controle is net achter de rug. Zoals altijd kan ik niet direct naar huis gaan door de pijn die mijn lichaam moet verwerken door de gedane onderzoeken. Ik richt mijn blik op de cafetaria en ga er in mijn gebruikelijke hoekje zitten, boekje bij de hand en een welverdiende koffie – twee melk en suiker.

Terwijl ik mijn tweede pagina wil omslaan, passeert mij een jong meisje, ijsje in de hand. Ze knikt naar mij ter begroeting en ik knik terug. “Nog een sukkelaar die hier mag verblijven”, denk ik vluchtig. Net of ze mijn gedachten kan lezen, houdt ze mijn blik vast. Ik zie een mistgordijn van goud in haar rechteroog. “Ken ik u van ergens?”, vraagt ze mij.

Ik draai mijn boek met de pagina’s naar de tafel toe en glimlach. “Misschien van de ledenkrant van de CM waar ik op de cover sta?”. Die blaadjes liggen hier immers in het ziekenhuis op de wachtkamers.  “Ja, kan wel”, zegt ze maar ik heb het gevoel dat het niet zo is en ze een excuus zoekt om met mij een conversatie te beginnen. “Ga anders zitten.”, stel ik voor. “Heb je zin in iets om te drinken wanneer je ijsje op is? Dan kan ik erom gaan, ik trakteer.” Ze knikte van nee terwijl ze het met chocolade gevulde puntje met haar wijsvinger in haar mond steekt. “Merci, ik ben genoeg afgekoeld. Mijn dokter zegt dat ik genoeg moet hydrateren dus eet ik lekker een ijsje. Ze vond dat goed. Ze is wel in de veronderstelling dat het een Rocket is, waterijs, maar bon, voor mij is ijs ijs.” Ze lacht breed en ik zie dat haar tanden lijken op het klavier van een piano- wit /zwart. Wat moet het leuk zijn om nog zo van een ijsje te kunnen genieten. Mijn vele medicatie leidt ertoe dat ook mijn smaakpapillen aangetast worden waardoor alles of te zoet, of te zuur of te…. Enfin, ik moet er geen tekening bij maken. “Je hebt anders wel genoeg vloeibaar materiaal dat in je aderen gepompt wordt, als ik het zo zie.”, antwoord ik en ik kijk naar haar baxters. “Pff, mijn vitamientjes”, grapt ze en ik leid daaruit af dat ze er eigenlijk niet over wil praten. “Ha”, reageer ik wat verloren.

“Bent u hier op bezoek?” Ze kijkt me aan, haar gezicht wat gedraaid terwijl ze half om half in gevecht is met haar lijnen die haar verbinden aan de baxters.

“Nee, ik ben hier voor een check- up.” “Moh, ook kanker?” Ze gaat verzitten zodat ze met haar linker knie opgetrokken op de stoel komt te zitten. Arm kind. Uit haar antwoord kan ik afleiden waarvoor ze hier dus opgenomen is. “Ik heb maagkanker en de dokter zegt dat ik weinig kans op genezing heb maar mijn ma geeft niet op. Ik laat het allemaal maar gebeuren, ik heb geen lief meer of zo, weet je wel. Dus onderga ik het allemaal voor haar. Niet dat ik niet wil leven hé maar ik leef meer van dag tot dag. Een mens kan opstaan, de deur uitgaan en platgereden worden van een auto en dan heb je ook niets meer aan je leven. Dus geniet ik van dag tot dag. Zelfs van hier in het ziekenhuis liggen kan ik genieten. De mensen op de afdeling zijn zeer vriendelijk en er is zelfs een verpleger bij met een kontje, man, je wil het niet geloven!”. Ze rolt met haar ogen en even hapt ze naar adem. Doordat alles er in één keer uitgekomen is, verwacht ik nog een vervolg maar ze kijkt even dromerig weg naar het tafelblad. Rustig neem ik nog een slok van mijn inmiddels afgekoelde koffie en speel wat met het papiertje van het suikertje. “Een check- up dus.” herhaalt ze en ze blijft mij aankijken. Ik weet niet wat het is maar ik voel mij deze keer niet echt geneigd om mijn endometriose verhaal te doen. Maar ze laat niet af en begint mij allerlei vragen te stellen. “Bent u ziek? Bent u helemaal genezen? Kan u alles nog? Wat is EndoHome? Heeft u veel pijn? Wat met kinderen?...”

Eigenaardig genoeg vertel ik alles zoals het is, niet ‘over the top’ maar ook niet minimaliserend. Twee dingen die ik neig te doen met mensen die uitleg vragen over endo maar er eigenlijk niet mee geconfronteerd worden. Maar hoe zou ik dat over mijn hart kunnen krijgen om te doen bij een, duidelijk, mooi jong meisje die het gevecht aangegaan is met de ziekte van deze tijd, kanker.

Uiteindelijk vallen de vragen wat stil. Ik denk dat er zo’n half uur over gegaan is en ik zie dat ze moe aan het worden is. Toch is er nog een sprankel in haar ogen die ik niet kan thuisbrengen. Ze neemt mijn hand vast en zegt “Mevrouw, eerlijk waar, ik zou niet met u willen ruilen. Hetgeen ik heb, daar komt in de nabije toekomst een einde aan. Of ik genees of ik ga dood maar ik zal niet zolang op de verlossing moeten wachten als u.”

Ik krijg een krop in mijn keel en mijn zicht vertroebelt. Hoeveel keer immers heb ik gewenst om kanker te hebben, net om de reden die zij mij nu verwoordt. Hoeveel keer hebben mensen mij al vreemd aangekeken, verweten zelfs omdat ik die wens uitgesproken had. En nu komen diezelfde woorden uit de mond van een jong mens dat ongetwijfeld ook pijn moet hebben en een dagelijkse strijd moet leveren.

Maar ik duw mijn koffietas naar het midden van de tafel en draai mij ,met mijn rechterknie opgetrokken, naar haar toe. Mijn hand vindt de weg naar de hare en ik zie in die ogen van haar dat ze oprecht is. Het raakt mij tot in mijn ziel. Ik wil en kan haar niet naar haar kamer terug laten gaan met dit immens gevoel van medelijden dat ze overduidelijk voor mij heeft.

“Weet je,” begin ik “zo’n dertig jaren geleden gingen heel veel mensen dood aan kanker. Doordat heel veel vrijwilligers de aandacht gericht hebben op de ziekte, is de politiek, de wetenschap enz. er ook aandacht aan gaan schenken. Daardoor staan we met de wetenschap waar we nu staan en eigenlijk zitten we daardoor hier samen te praten. Want was er voor jou geen middel en voor mij geen check- up, dan was er ook niet dit gesprek. Je zegt dat je niet met mij zou willen ruilen, wel, ik zou nog niet willen met je ruilen. Jij hebt jouw strijd te strijden en ik de mijne. Voor jouw strijd zijn er al oplossingen voor handen. Mijn strijd nu is ervoor te zorgen dat er voor endometriosepatiënten in de toekomst ook oplossingen zullen zijn…..” Ik wil er nog dingen aan toevoegen maar ik krijg de kans niet. Ze neemt me in een knuffel, zo eentje van het soort dat mijn tienjarige ook kan doen, slaakt een zucht en zegt “Zo vereerd dat ik u leer kennen, mevrouw! Mijn naam is Melanie. Geeft u mij ook uw naam, dan kunnen we in gedachten elkaar elke dag moed schenken.”

Nog nooit in mijn leven was ik zo vervuld van een gesprek dat ik aangegaan ben met een volslagen onbekende.

Groetjes,
Elke

Schrijf je in voor onze

nieuwsbrief